Andries Hiskes kreeg beurs voor onderzoek naar handicaps en politieke actie: ‘Dit is geen knuffelonderwerp’
Docent-onderzoeker Andries Hiskes kreeg onlangs een Veni-beurs toegekend van NWO om te onderzoeken hoe kunstenaars en activisten met een handicap nieuwe vormen van politieke actie ontwikkelen. “Ik wil met mijn onderzoek niet per se een probleem oplossen of iets fixen. Ik wil een ander perspectief bieden en ruimte maken voor esthetische taal om het te hebben over lichamelijke verschillen.”

Je gaat onderzoek doen naar onze kijk op gehandicapte lichamen en politiek activisme. Hoe ben je op dit onderzoek gekomen?
“In mijn promotieonderzoek onderzocht ik welke affectieve reacties lichamen met een handicap bij ons oproepen, aan de hand van film en literatuur. Als je bijvoorbeeld op straat iemand tegenkomt die moeilijk loopt of anders beweegt, kan er ongemak ontstaan. Je wilt wel kijken, maar je durft ook vaak niet. Tegelijk ervaren veel mensen een soort opgelegd moreel oordeel op dat kijken zelf. Dat mag eigenlijk niet. Dat fascineerde mij. We hebben namelijk relatief weinig taal om het over de esthetische ervaring te hebben. Als we het morele even buiten beschouwing laten: wat gebeurt er precies met je in dat soort situaties? Hoe word je geraakt en hoe geef je daar woorden aan? Ik onderzocht dit in films en romans omdat je juist in de kunsten kunt verkennen wat in het gemeenschappelijke en alledaagse moeilijk bespreekbaar is. Walging en verwondering liggen bijvoorbeeld vaak dichter bij elkaar dan men denkt. Vaak bewegen we tussen beide heen en weer.”
Hoe maakte je de link naar politiek activisme?
“Een van de conclusies van mijn proefschrift was dat ook het interpreteren van lichamen zelf een ‘ability’ is. Ook hier is niet elk lichaam hetzelfde in. Wie wel kan interpreteren en wie niet, wie woorden kan geven aan zijn emoties en wie dat niet kan, bepaalt in het sociale verkeer mede wie er gehoord wordt. Dat maakt ‘ability’ en ‘disability’ ook tot politieke begrippen. Ik wilde hier meer over weten.”
Dat bracht je bij gemixt dansgezelschappen van dansers met en zonder handicaps.
“Naar aanleiding van een blog over mijn proefschrift werd ik uitgenodigd door een choreograaf van een gemixt dansgezelschap om eens langs te komen. Zij herkende veel van mijn onderzoek in haar werkpraktijk. Haar dansgezelschap bestaat uit dansers met en zonder handicaps, met zichtbare en niet-zichtbare handicaps. Als je al die verschillende lichamen en geesten bij elkaar brengt in het dansen, wat gebeurt er dan? Hoe je elkaar leest en begrijpt, en de variatie hoe mensen dat doen of kunnen doen, wordt dan belangrijk. Samenwerking in zo’n gezelschap is niet vanzelfsprekend en gaat soms gepaard met frictie. Bovendien krijgen zulke gezelschappen niet als vanzelf toegang tot podia. In de kunstwereld bestaan er esthetische normen: wat wil een culturele instelling op een podium laten zien en wanneer? Wie waar kan verschijnen is eveneens een politieke kwestie. Zulke esthetische normen bepalen hoe een lichaam hoort te bewegen. Wat gebeurt er als je hiervan afwijkt? Wat gebeurt er als je mensen blootstelt aan lichamen die anders bewegen dan wat men verwacht? En als je ergens wordt geweigerd, wat doe je dan?
Wat ga je in je onderzoek precies doen?
Wanneer wordt een beweging van een lichaam erkend als een handeling of actie en wanneer wordt het geduid als een vorm van ruis? Hoe bepalen we dat? Ik wil dit onderzoeken aan de hand van een drietrap: hoe lichamen publiekelijk kunnen verschijnen, hoe ze bij elkaar komen en zichzelf kunnen organiseren, en hoe ze herkend en erkend worden als politieke actoren.
In 1990 had je in de Verenigde Staten bijvoorbeeld de beroemde Capitol Crawl, een politieke actie waarbij mensen met een handicap de trappen van het Capitool opkropen om civiele rechten te claimen, wat uiteindelijk heeft geleid tot de Americans with Disabilities Act (ADA). Wat mij boeit is de innovatie in de beweging zelf. Voor de Capitol Crawl was het moeilijk voorstelbaar hoe een handeling als kruipen een politieke actie kan zijn. De activisten die eraan deelnamen claimden dus niet alleen burgerrechten, maar daagden ook uit wat überhaupt als politiek handelen kon gelden.
Hoe pak je dit onderzoek aan?
Ik wil archiefonderzoek uitvoeren over politieke actievoering waar mensen met verschillende handicaps aan meededen, juist om te onderzoeken wat dit ons over het handelen zelf te leren heeft. Daarnaast wil ik ook optrekken met een verscheidenheid van kunstenaars en activisten om hen te bevragen en te bestuderen hoe zij de relatie tot het politieke handelen zien en bestuderen hoe dit terugkomt in kunst. Die inzichten verwerk ik ook in een podcast. Ik wil verschillende perspectieven laten zien. Niet iedereen hoeft het met elkaar eens te zijn. In wat ik bestudeer staat juist de worsteling centraal. Het gaat me om de spanningen die ontstaan als je uiteenlopende groepen en mensen bij elkaar brengt, en hoe deze productief kunnen zijn. Ook frictie is wat mij betreft productief. Het is niet een knuffelonderwerp.”
Wat motiveert je dit onderzoek uit te voeren?
“Om te beginnen omdat ik zelf een handicap heb en ik ervaar dat we voornamelijk over handicaps willen praten in een functionele, medische taal. Dat voelt vaak als een dekmantel om het niet te hebben over wat handicaps met ons doen en de verschillende gevoelens die ze kunnen oproepen.
Ik wil met mijn onderzoek niet per se een probleem oplossen of iets fixen. Ik wil een ander perspectief bieden. Ik wil ruimte maken voor een esthetische taal waarmee we kunnen spreken over de manier waarop we verschillen waarnemen, en waarom we dat wel of niet bespreekbaar willen maken. Ik hoop dat we kunnen leren om -wanneer je geraakt wordt – te reflecteren op wat het in de eerste plaats met jezelf doet.”